Franciscaanse Gideonsbende

Inleiding Heleen Ransijn op de Inspiratie ochtend

Op het eerste gezicht lijkt het zo vanzelfsprekend dat volgelingen van Franciscus zich druk zouden maken over armoede. Maar ik zeg daar met opzet bij: “op het eerste gezicht”. Franciscus en armoede horen natuurlijk onverbrekelijk bij elkaar. Maar de armoede van Franciscus is een ander soort armoede dan de armoede die hier vandaag centraal staat. Voor Franciscus was armoede een levenspad dat hij ging uit overtuiging, uit vrije wil. Dat is echter heel andere koek dan de armoede die een mens onvrijwillig treft. Dat is géén vrije keuze. En dat roept de vraag op: wat hebben wij, als volgelingen van een mens die in vrijwillige armoede leefde, met mensen die onvrijwillig in armoede leven?

In de Geschriften van Franciscus heb ik maar één verwijzing gevonden naar concrete onvrijwillige armen in die tijd. Die staat in de Eerste Regel van Franciscus: “En zij mogen zich verheugen als zij het leven delen van waardeloze en verachte mensen, van armen en zwakken, van zieken, melaatsen en bedelaars langs de weg.” In dit citaat uit zijn Eerste Regel noemt Fransciscus een heel specifieke groep mensen, namelijk melaatsen. Van melaatsen is bekend dat ze nadrukkelijk buiten de samenleving stonden. En dat kennen we in onze tijd ook. Zelf heb ik bij Frans Tweedehands in Rotterdam te maken gehad jongens met een achtergrond in verslaving of gevangenis – vaak met beide. En bij het Straatnieuws in Utrecht met daklozen.

En van allebei heb ik gehoord: armoede is op zich al beroerd, maar – zoals één van mijn dakloze vrienden het ooit zei – “dat mensen je niet als mens zien, dát is pas beroerd.”  Er valt nog meer te zeggen over die bijzondere voorliefde van Franciscus voor melaatsen. Hij heeft het er ook heel duidelijk over in het begin van zijn Testament. Hierin zegt hij: “De Heer zelf heeft mij tussen hen gebracht, en ik heb hun barmhartigheid bewezen.” Die barmhartigheid is een sleutelwoord voor de omgang van Franciscus met melaatsen. Ze kwam voort uit een diepe bewogenheid bij het zien van een melaatse, zoals ons verteld wordt in ‘het verhaal van de drie gezellen’. En als gevolg daarvan ervaarde Franciscus het als zijn roeping om deze mensen te dienen. Mensen die door de samenleving van hun tijd werden gezien als niet-mensen.

Op het eerste gezicht treedt Franciscus hiermee in de voetsporen van de profeten van het Oude Testament. De meest uitgesprokene van die profeten is Amos, die de rijken uit zijn tijd ervan langs geeft – vooral als zij zich daarbij ook nog eens als vroom voordoen. Franciscus is echter niet iemand die een roep om gerechtigheid van de daken laat klinken. Wat hij doet, is die andere grote kernwaarde uit de Bijbel in de praktijk brengen: barmhartigheid. En ook daar spreekt hij niet zozeer over; hij doet het. Waar Amos woorden spreekt van gerechtheid voor kwetsbare mensen in het Oudtestamentische koninkrijk Israël, stelt Franciscus daden van barmhartigheid tegenover kwetsbare mensen in het middeleeuwse Umbrië. Het typerende van Franciscus is daarbij, dat hij radicaal is en geen halve maatregelen neemt – en daarin lijkt hij dan wél weer op Amos. Dat handelen vanuit barmhartigheid, dat is zijn hele leven en dat van zijn broeders.

Het ‘verhaal van de drie gezellen’ vertelt ons over dat beslissende moment in het leven van Franciscus, toen hij een melaatse omhelsde. Door die melaatse te omhelzen herstelde Franciscus hem in zijn waardigheid als mens. In die zin is Franciscus wel degelijk een profeet. Een profeet van de menselijke waardigheid. En het belang daarvan is groter dan wij misschien wel denken. Want, “dat mensen je niet als mens zien, dat is pas beroerd.” Franciscus als profeet is dus een profeet van daden, van concrete praktische inzet. In zijn Eerste Regel spoort hij de broeders niet aan om het kwaad aan te klagen, zoals Amos deed. Hij spoort ze wél aan om iets goeds te zeggen of iets goeds te doen waar iets kwaads gezegd of gedaan wordt. Franciscus is niet de profeet van de roep om gerechtigheid, maar die van het leven vanuit barmhartigheid. Dat is zijn inbreng. En die was wel zó radicaal, en zó helemaal in dienst van de menselijke waardigheid, dat ik hem alleen maar aarzelend en struikelend kan volgen. Armoede is een belediging van de menselijke waardigheid. Dat mág niet alleen van de daken geroepen worden, dat móet zelfs van de daken geroepen worden. En het is goed dat er mensen zijn die dat doen – de profeten van onze tijd. Zij zijn de Amossen van de 21e eeuw, die roepen om gerechtigheid. Maar daarnaast is er ook nog die andere weg, die evenzeer nodig is om de menselijke waardigheid tot haar recht te laten komen. De weg die Franciscus koos. Een dagelijkse praktijk van leven die weigert om mensen uit te sluiten, om mensen niet als mens te zien als ze geen dak boven hun hoofd hebben, als ze stomme keuzes hebben gemaakt in hun leven, als ze maar geen werk kunnen krijgen. De weg van de radicale barmhartigheid.

En Franciscus roept ons op om die weg van harte te bewandelen. Als mensen die leven willen met anderen, die anderen willen zien in hun waardigheid, in de hoop ook zo gezien te worden, waneer je in een soortgelijke situatie komt te verkeren. In het voetspoor van Franciscus.

Heleen Ransijn vbf

Tags: ,

4 Responses

  1. […] artikel is geplaastt in Franciscaans Leven en een bewerking van een eerder gehouden inleiding op de ontmoetingsdag in maart 2013 van de Franciscaanse […]

  2. […] artikel is geplaatst in Franciscaans Leven en een bewerking van een eerder gehouden inleiding op de ontmoetingsdag in maart 2013 van de Franciscaanse […]

  3. […] Dit artikel is geplaatst in Franciscaans Leven en een bewerking van een eerder gehouden inleiding op de ontmoetingsdag in maart 2013 van de Franciscaanse […]

  4. […] artikel is geplaatst in Franciscaans Leven en een bewerking van een eerder gehouden inleiding op de ontmoetingsdag in maart 2013 van de Franciscaanse […]

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *